Tijdens het eerste evenement waaraan ik meewerkte voor de Kleine Ambassade verdiepten veertig jongeren zich een dag lang in het thema verstedelijking en alles wat daarbij komt kijken. Het was een geweldig succesvolle dag waarop actief werd meegedaan en -gedacht en er ook concrete voorstellen werden uitgewerkt. We werden gevraagd om de uitkomsten een maand later te presenteren aan een grote groep bestuurders die het zelf ook tijdens een workshopdag over het verstedelijkingsvraagstuk zou hebben. Negen deelnemende jongeren wilden daar ook graag bij zijn. Zij draaiden samen met de bestuurders mee in de workshops.  

Gelukkig was ook dit tweede evenement een positieve ervaring voor de deelnemende jongeren. Mijn persoonlijke herinnering aan de dag wordt echter overschaduwt door één opmerking van een bestuurder. Deze man, als expert op het podium aanwezig, schoof de mening van ‘mijn’ jongeren in een vloek en een zucht aan de kant. Jongeren hebben namelijk over een paar jaar toch een hele andere mening, zo beargumenteerde hij. Dan zitten ze immers in een andere levensfase en hebben ze andere zorgen.  

In de zaal klonk wat gemor. Er werd wat heen en weer geschuifeld. Maar van de 300 bestuurders bleef bij 299 het weerwoord uit. Nadat één bestuurder, die bij mij direct hoog in het vaandel stond, het standpunt over jongeren en snel veranderende meningen iets nuanceerde, werd vlug overgestapt op het volgende punt op de agenda. En dat zit me nog altijd niet helemaal lekker.  

Het gaat hier namelijk niet alleen over jongeren en of hun mening gehoord moet worden. Het punt dat hier wordt gemaakt is door te trekken naar de gehele bevolking. Hoeven bestuurders dan nooit naar iemand te luisteren als de kans groot is dat deze in de komende 2, 5 of 10 jaar van mening veranderd?  

Hoeven bestuurders dan nooit naar iemand te luisteren als de kans groot is dat deze in de komende 2, 5 of 10 jaar van mening verandert?  

De avond voorafgaand aan de Tweede Kamerverkiezingen van 2017 kon twee derde van de stemgerechtigden nog tot de zwevende kiezers gerekend worden (NOS, 2017). In de laatste jaren groeit de groep zwevende kiezers en wegen korte-termijnfactoren steeds meer mee in de stemkeuze (CBS, 2017). In verkiezingstijd draaien de campagnes om het overtuigen van deze zwevende kiezer, die gekenmerkt is door de potentie van mening te veranderen. Hoe kunnen we het dan verantwoorden om deze eigenschap als problematisch te zien als het gaat om participatietrajecten? 

En hoe zit het me de bestuurders zelf? Mogen die hun visie nog wel ontwikkelen of staat ook hier de groei stil? Of is een visie die zich ontwikkelt alleen een probleem voor participatietrajecten waar het jongeren betreft? De heer die de voor mij zo schokkende opmerking maakt, impliceert dat jongeren zodra ze de kunstmatige grens naar volwassenheid overschrijden plots een volledig ander wereldbeeld ontwikkelen of dat dit moment samenvalt met belangrijke ontwikkelingen als zelfstandig wonen, het gebruik van een auto en het hebben van eigen inkomen. En dat terwijl het juist bekend is dat jongeren en jongvolwassenen op steeds latere leeftijd nog wisselen van woonsituatie en terugvallen op ouderlijke steun (Van Stigt, 2017). 

Thema’s als verstedelijking wekken inderdaad al snel de indruk relevanter te zijn voor zij die al huizen bezitten of woningen huren. Maar betekent dit dat iemand die die niet tot die groep behoort daar ook geen gegronde mening over kan hebben? En is die mening minder waard omdat deze kan veranderen? 
 
Ik ben ervan overtuigd dat de mening van jongeren wel degelijk van belang is. Dat het uitermate belangrijk is dat bestuurders nú naar jongeren luisteren. Maar dat het hierin essentieel is dat jongeren de juiste tools wordt geboden om ook een gegronde mening te ontwikkelen. Jongeren zijn wat dat betreft, net als de meeste andere burgers die middels participatietrajecten worden betrokken bij wijk, stad of anderszins, geen experts. Ze moeten de kans krijgen onderzoek te doen naar de gestelde problematiek, zich daarin te verdiepen, om vervolgens een goed gemotiveerde positie in te nemen. Dán kunnen jongeren een standpunt ontwikkelen wat in lijn is met de eigen belevingswereld, wat realistisch is, wat niet drastisch veranderd door een wijzigingen in de privé-situatie en waar bestuurders mee aan de slag kunnen.  

Het is essentieel dat jongeren de tools geboden worden om een gegronde mening te kunnen ontwikkelen.

Dat moment, wanneer een jongere zijn of haar standpunt kenbaar maakt, of dit nou tijdens een groot congres of in klein comité gebeurd, is het moment dat de bestuurder, de kenner van het thema, de expert, zich getriggerd zou moeten voelen om verder te vragen. Om te ontdekken welke motivatie hierachter steekt. Of de jongere zich heeft verdiept in het onderwerp of misschien nog informatie mist. En vooral, om de behoeften die worden benoemd mee te nemen in de verdere aanpak van lastige vraagstukken en kenbaar te maken dat deze input wordt gewaardeerd. Dat is hoe deze ‘moeilijke doelgroep’ betrokken raakt bij sociaal-maatschappelijke vraagstukken en zo zullen zij maanden of jaren later ook hun ‘volwassen’ leven instappen met het gevoel dat de overheid hun mening belangrijk vindt.